Schijnveiligheid in het amateurvoetbal: ‘Zolang niemand iets zegt, lijkt het goed te gaan’
Een overgrote meerderheid van de amateurclubs denkt dat iedereen zich veilig voelt op de vereniging. Maar dat beeld klopt niet, zegt Karin Blankenstein van de John Blankenstein Foundation. Volgens haar is er sprake van schijnveiligheid bij de LHBTQI-leden: problemen blijven onzichtbaar omdat spelers zich niet uitspreken. Ondertussen haken mensen af, zonder dat clubs begrijpen waarom. ‘Zolang niemand iets zegt, lijkt het goed. Maar dat is precies het probleem.’
Een gesprek met Karin Blankenstein begint niet aan de keukentafel maar op de tweede verdieping van haar woning in Naaldwijk. Dáár herbergt zich een pareltje van een museum van haar overleden broer en topscheidsrechter John Blankenstein. Voor de echte voetballiefhebber is het een plek waar je uren kunt rondstruinen. Shirtjes van Europese topclubs, vaantjes, foto’s, oorkondes, speldjes, brieven. En allemaal met een eigen verhaal. Trek er een kast open en je vindt complete reisverslagen van John Blankenstein over een van zijn vele Europese wedstrijden. Dnjepr Dnjepropetrovsk-Benfica, Champions League uit 1990 bijvoorbeeld. In zijn reisverslag een gedetailleerde uiteenzetting van de reis, de ontvangst van de Russen, het ontbijt en alles wat hij verder meemaakte. ‘We zouden business class vliegen, maar zaten economy’, valt er te lezen. Of: ‘Opeens kwam er een Russische supporter dreigend het veld op.’ En dan tekende Blankenstein op een vel papier exact waar dat gebeurde en welke looplijnen zijn grensrechter toen ondernam.
Dozen vol van dat soort verhalen.
Karin Blankenstein begon na de dood van haar broer in 2006 de John Blankenstein Foundation die zich ten doel stelt om de sociale acceptatie van homo’s en lesbiennes in de top- en breedtesport te bevorderen. En daarvoor zijn we hier. Want we moeten praten.
De LHBTQI+-gemeenschap moet weer vechten voor haar rechten, veel meer dan de afgelopen jaren. Dat zien we heel erg in de sport terugkomen.
Een aantal jaar geleden ontstond bij de Foundation het idee om haarzelf op te heffen. Het thema stond op de kaart, clubs waren geïnteresseerd om workshops af te nemen om te leren. Kortom: het ging de goede kant. Dat is nu heel anders. Karin Blankenstein: ‘We zien een kentering, mede door het politieke klimaat. De LHBTQI+-gemeenschap moet weer vechten voor haar rechten, veel meer dan de afgelopen jaren. Dat zien we heel erg in de sport terugkomen.’
En er is nog een belangrijk verschil. Het idee van sportbestuurders en de realiteit liggen ver uit elkaar. Dat blijkt ook uit de enquête die de BAV onlangs hield onder haar achterban van 1.400 amateurclubs. Een overgrote meerderheid antwoordde dat iedereen zich bij zijn of haar vereniging veilig voelt. Tegelijkertijd laten andere wetenschappelijke onderzoeken en praktijkervaringen een ander beeld zien: LHBTQI+’ers voelen zich lang niet altijd veilig in de sport, en zeker niet in het voetbal. Volgens Blankenstein zit het grootste probleem in wat níet zichtbaar is. ‘Zolang niemand iets zegt, lijkt het alsof er niets aan de hand is. Maar dat betekent niet dat het ook zo is.’
Veel bestuurders zeggen dat het goed gaat op hun club. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Dat horen we overal. “Bij ons is het veilig, bij ons speelt het niet.” Maar dat is schijnveiligheid. Want hoe weet je dat? Ken je al je leden goed genoeg? En belangrijker: durven mensen die zich niet veilig voelen dat ook tegen je te zeggen?’
Volgens Blankenstein ligt daar precies de kern van het probleem. ‘Een jongen die in de kleedkamer steeds homograppen hoort, gaat echt niet naar een bestuurder om te zeggen dat hij dat vervelend vindt. Zeker niet als hij nog zoekende is in zijn identiteit. Die houdt zijn mond. En zolang hij niets zegt, denkt de club: zie je wel, het gaat goed.’
Maar dat beeld klopt volgens haar niet. ‘Die jongen trekt zich terug. Of hij stopt uiteindelijk met voetballen. En dat gebeurt vaker dan clubs denken. Alleen wordt het niet als zodanig herkend.’
‘Als een trainer dat soort taalgebruik overneemt of niet corrigeert, dan legitimeer je het. Dan geef je eigenlijk het signaal: dit is normaal. Terwijl dat het niet is.’
Wat horen jullie van spelers die bij jullie wél hun verhaal delen?
‘Dat ze zich niet thuis voelen. Dat ze zich aanpassen of dingen voor zich houden. En dat ze op een gegeven moment afhaken. Terwijl ze het spelletje zelf hartstikke leuk vinden.’
Ze benadrukt dat het probleem vaak begint bij ogenschijnlijk kleine dingen. ‘Taalgebruik is ontzettend belangrijk. Het woord “homo” is nog steeds een van de meest gebruikte scheldwoorden onder jongeren. Dat wordt vaak weggezet als grapje, maar het heeft wel degelijk impact. Zeker in de puberteit ben je kwetsbaar. Als jouw identiteit of iets wat daarmee te maken heeft continu negatief wordt gebruikt, dan voel je heel duidelijk: hier hoor ik niet bij. En dat doet iets met je. Dan trek je je terug.’
Ook de rol van trainers is daarin volgens haar cruciaal. ‘Als een trainer dat soort taalgebruik overneemt of niet corrigeert, dan legitimeer je het. Dan geef je eigenlijk het signaal: dit is normaal. Terwijl dat het niet is.’
Waarom speelt dit probleem juist zo sterk in het voetbal?
‘Omdat voetbal een bepaalde cultuur heeft en vaak moet voldoen aan de hetero-norm. Je moet stoer zijn, niet afwijken, meedoen met de groep. Er leven nog steeds beelden dat homoseksuele mannen vrouwelijk zijn of niet kunnen voetballen. Dat klopt natuurlijk niet, maar dat beeld blijft bestaan. En alles wat afwijkt van de norm, wordt in zo’n omgeving al snel een doelwit. Dat maakt het voor spelers moeilijk zichzelf te zijn. Voetbal is de grootste sport, dus je ziet het daar het duidelijkst. Maar het speelt in alle mannelijke teamsporten.’
Clubs zeggen vaak: bij ons zijn ze er niet. Hoe reageert u daarop?
‘Dat klopt gewoon niet. Ze zijn er wél. Dat kan statistisch niet anders. Alleen zie je ze niet, omdat ze zich niet uitspreken. Zolang je denkt dat het er niet is, hoef je er ook niets mee te doen. Maar daarmee maak je het juist onzichtbaar.’
Ze pleit ervoor beter te kijken naar signalen. ‘Als iemand die altijd met plezier voetbalde ineens stopt, stel dan vragen. Ga in gesprek. Niet alleen over voetbal, maar ook over hoe iemand zich voelt. Dat gebeurt nu te weinig.’
‘Toen er spelers waren die de regenboog-aanvoerdersband niet wilden dragen, heeft de KNVB niet doorgepakt. Integendeel: ze trokken zich terug. Dat was voor mij echt een kantelpunt. Kijk, een speler mag zeggen dat hij de band niet wil dragen. Dat is zijn recht. Maar als bond moet je dan zeggen: dit is waar wij voor staan.’
Wat kunnen clubs concreet doen om het beter te maken?
‘Het begint bij bewustwording. Kijk naar jezelf als trainer, als bestuurder, als ouder langs de lijn. Wat zeg je? Hoe reageer je? Je hoeft geen grote campagnes op te zetten. Spreek iemand aan op taalgebruik. Laat écht zien dat iedereen welkom is, claim het onderwerp als bestuur en ga er ook achter staan. En vooral: ga het gesprek aan. Maak het bespreekbaar. Dat is de eerste stap.’
Ook in het betaalde voetbal zit er weinig progressie in acceptatie. U zegt dat u ook met supporters in gesprek zou willen. Hoe ziet u dat voor u?
‘Zet mij maar eens tussen de harde kern van ADO Den Haag. Echt, dat wil ik best. Dan ga ik gewoon met ze praten, in hun taal. Ik adem voetbal, dus ik snap die wereld. Je moet ze op de juiste manier benaderen. Niet met een belerend verhaal, maar gewoon als mens.
Ik stel dan vragen. Heb je kinderen? Familie? Stel dat iemand een orgaan nodig heeft om te overleven. Ga je dan eerst vragen of die donor hetero is? Natuurlijk niet. Dan wil je gewoon dat iemand helpt. Het gaat erom dat je elkaar respecteert. Je hoeft het niet overal over eens te zijn. Maar normaal met elkaar omgaan, dat moet wel.’
U bent kritisch op de KNVB. Wat gaat daar volgens u mis?
‘De KNVB laat het liggen. Dat zeg ik heel eerlijk. Er is wel beleid, maar het wordt niet uitgevoerd. Er staat dat wedstrijden stilgelegd moeten worden bij homofobe spreekkoren, maar dat gebeurt gewoon niet. Nóóit.’
Volgens haar zit daar een belangrijk verschil met andere vormen van discriminatie. ‘Bij racisme zie je dat er sneller wordt ingegrepen, omdat het zichtbaarder is. Maar dit speelt net zo goed. Alleen zie je het minder, omdat spelers zich niet uitspreken.’
Daarnaast is ze kritisch op hoe de bond is omgegaan met initiatieven vanuit de sector zelf. ‘Wij zijn begonnen met de regenboogaanvoerdersband. Dat was ons initiatief. Dat werd een groot succes. Op een gegeven moment heeft de KNVB dat overgenomen. Dan denk je: mooi, dan wordt het groter. Maar wat gebeurde er? Het werd die “One Love”-band, waarin de LHBTI+-gemeenschap eigenlijk niet eens meer goed zichtbaar was. Het ging opeens over racisme en discriminatie. Alles werd op een hoop gegooid.’

Voor Blankenstein was vooral de reactie van de voetbalbond op weerstand van spelers teleurstellend. ‘Toen er spelers waren die die band niet wilden dragen, heeft de KNVB niet doorgepakt. Integendeel: ze trokken zich terug. Dat was voor mij echt een kantelpunt.’
‘Kijk, een speler mag zeggen dat hij de band niet wil dragen. Dat is zijn recht. Maar als bond moet je dan zeggen: dit is waar wij voor staan. Dan geef je die band aan iemand anders. Maar dat gebeurde niet. Het werd afgezwakt. Dat is laf. Je kunt niet zeggen dat je ergens voor staat en het vervolgens loslaten zodra het moeilijk wordt.’
Wat is er nodig om echt verandering te realiseren?
‘Leiderschap. Je hebt mensen nodig binnen clubs, binnen de bond, binnen de politiek, die zeggen: dit vinden wij belangrijk en hier staan wij voor. Neem dit onderwerp op in opleidingen voor trainers en coaches. Maak het onderdeel van de basis. Niet als iets extra’s, maar als iets dat erbij hoort. En wees als club duidelijk. Zeg gewoon: iedereen is hier welkom. Ongeacht wie je bent.’
Tot slot: waar hoopt u op voor de toekomst?
‘Dat iemand gewoon kan zeggen wie hij is, zonder dat het een issue is. We hebben het over iets heel simpels: jezelf kunnen zijn. Over liefde. Meer is het niet. We leven hier met z’n allen. Iedereen wil een fijn leven. En dat kan alleen als we elkaar accepteren zoals we zijn.’
